De verlichting van je aanhanger controleren voor vertrek is een kleine handeling met een groot effect. Andere weggebruikers moeten op tijd kunnen zien dat je remt, afslaat of achteruitrijdt. Ook moet je aanhanger goed zichtbaar blijven wanneer het donker is of wanneer het zicht minder goed is.
Je controleert niet alleen of er ergens een lamp brandt. Kijk ook naar de stekker, de kabel, de lampglazen en de bevestiging van de verlichting. In dit artikel lees je hoe je dat stap voor stap doet en wat je kunt doen als een lamp niet werkt.
Waarom goede aanhangerverlichting belangrijk is
Een aanhanger verandert de lengte van je voertuig en kan het zicht op de achterlichten van je auto gedeeltelijk wegnemen. Daarom heeft de aanhanger zelf verlichting nodig. De achterlichten laten zien waar de combinatie rijdt. De remlichten waarschuwen achteropkomend verkeer wanneer je snelheid vermindert. Richtingaanwijzers maken duidelijk welke kant je op wilt.
Een storing valt tijdens het rijden niet altijd meteen op. Je ziet zelf niet voortdurend wat er achter de auto gebeurt. Een lamp kan bovendien uitvallen door een losse stekker, vocht, vuil of een beschadigde kabel. Daarom controleer je de verlichting voordat je vertrekt en niet pas wanneer iemand je op een probleem wijst.
Wat je nodig hebt voor de controle
Voor een gewone controle heb je geen speciaal gereedschap nodig. Zorg dat de auto en aanhanger aangekoppeld staan en dat de stekker verbonden is. Je hebt daarnaast een tweede persoon nodig die achter de aanhanger kan kijken terwijl jij de functies bedient.
Je kunt de controle ook alleen uitvoeren door de aanhanger zo te plaatsen dat je de reflectie van de lampen in een raam of ander oppervlak ziet. Toch werkt een helper meestal sneller en duidelijker. Spreek vooraf af welke lamp je inschakelt, zodat er geen verwarring ontstaat.
Controleer bij voorkeur op een vlakke, goed verlichte plek. Zet de auto stil en zorg ervoor dat niemand onverwacht tussen de auto en de aanhanger loopt.
Aanhanger verlichting controleren voor vertrek
Werk steeds in dezelfde volgorde. Zo vergeet je geen belangrijke functie en merk je sneller op waar het probleem zit.
Begin met een visuele controle
Loop eerst rondom de aanhanger zonder de verlichting te bedienen. Kijk of de lampen schoon en heel zijn. Een lampglas met modder, zand of een dikke laag stof kan minder licht doorlaten. Veeg het vuil weg met een zachte doek en gebruik eventueel wat water.
Let ook op scheuren, losse delen en lampen die scheef hangen. Een behuizing die niet goed vastzit, kan tijdens het rijden verder loskomen. Controleer meteen of de reflectoren aanwezig, schoon en onbeschadigd zijn.
Controleer de stekker en kabel
Bekijk de kabel die van de aanhanger naar de auto loopt. De kabel mag niet strak staan, over de grond slepen of klemzitten tussen de koppeling. Let op beschadigde plekken, afgesleten isolatie en losse bevestigingen aan het frame.
Controleer daarna de stekker. Die moet volledig in de aansluiting zitten en niet los in de houder hangen. Vocht of vuil in de stekker kan voor een slechte verbinding zorgen. Maak de buitenkant schoon en laat natte onderdelen eerst drogen voordat je opnieuw test.
Trek nooit hard aan de kabel om te controleren of alles vastzit. De kabel kan daardoor beschadigen. Pak de stekker bij de behuizing vast wanneer je deze losmaakt.
Test de achterlichten
Schakel de verlichting van de auto in en laat je helper achter de aanhanger kijken. De achterlichten moeten aan beide kanten zichtbaar branden. Controleer of de lichtsterkte links en rechts ongeveer gelijk is.
Een lamp die zwakker brandt dan de andere kan wijzen op vuil, vocht, een slechte aansluiting of een probleem met de lamp zelf. Vervang niet meteen onderdelen zonder eerst de verbinding te controleren. Een storing zit soms in de stekker of in een contactpunt.
Test de remlichten
Laat iemand het rempedaal intrappen terwijl jij achter de aanhanger kijkt, of laat je helper de lampen controleren terwijl je zelf remt. De remlichten moeten duidelijk feller worden dan de gewone achterlichten.
Controleer beide kanten. Wanneer slechts één remlicht werkt, rijd dan niet zomaar weg. Andere bestuurders kunnen je remactie minder goed inschatten. Zoek eerst uit of de stekker goed vastzit en of de lamp of aansluiting zichtbaar beschadigd is.
Test de richtingaanwijzers
Schakel de linker richtingaanwijzer in en controleer of de juiste lamp op de aanhanger knippert. Herhaal dit daarna aan de rechterkant. De richtingaanwijzers op de auto en de aanhanger horen met elkaar samen te werken.
Let op een afwijkend knippertempo. Dat kan betekenen dat een lamp niet goed meedoet, maar de oorzaak kan ook in de aansluiting liggen. Controleer daarom altijd beide kanten en kijk of de lampen helder en gelijkmatig knipperen.
Test de alarmlichten
Schakel de alarmlichten in en loop opnieuw om de combinatie heen. Nu moeten de richtingaanwijzers aan beide kanten tegelijk knipperen. Deze test laat snel zien of meerdere functies van de aanhanger goed verbonden zijn.
Gebruik de alarmlichten niet als vervanging voor een aparte controle van de richtingaanwijzers. Met een afzonderlijke test zie je beter of links en rechts correct reageren.
Controleer de achteruitrijverlichting
Heeft jouw aanhanger achteruitrijverlichting, test deze dan ook. Zet de auto alleen in de achteruit wanneer de omgeving veilig is en de auto stevig stilstaat voordat je de versnelling kiest. Laat je helper controleren of de lampen aangaan.
Niet iedere aanhanger heeft dezelfde lichtfuncties. Kijk daarom naar de verlichting die op jouw aanhanger aanwezig is en raadpleeg bij twijfel de handleiding. Controleer ook of de achteruitrijverlichting niet wordt geblokkeerd door lading.
Let op de kentekenverlichting
De verlichting bij het kenteken krijgt tijdens een snelle controle soms weinig aandacht. Toch moet het kenteken zichtbaar blijven wanneer de verlichting wordt ingeschakeld. Kijk of de lamp schoon is en of het licht niet wordt tegengehouden door een frame, afdekking of lading.
Controleer na het beladen opnieuw of niets voor de lamp hangt. Een goed werkende lamp heeft weinig nut wanneer dozen, fietsen of andere spullen het licht afschermen.
Veelvoorkomende oorzaken van een storing
Wanneer een lamp niet werkt, begin je met de eenvoudigste oorzaken. De stekker zit misschien niet helemaal in de aansluiting of de contacten zijn vuil. Ook kan de kabel beschadigd zijn geraakt tijdens het aankoppelen of opbergen.
Andere mogelijke oorzaken zijn een defecte lamp, vocht in de behuizing of een losse aansluiting. Bij oudere verlichting kunnen contactpunten minder goed aansluiten. Controleer alleen wat je veilig kunt beoordelen. Bij een storing die je niet kunt vinden, is het verstandig om de auto of aanhanger te laten nakijken.
- Controleer of de stekker volledig is aangesloten.
- Maak vuil en vocht rond de stekker voorzichtig weg.
- Bekijk de kabel over de hele lengte.
- Controleer de lampbehuizing op scheuren of loszittende delen.
- Test de verlichting opnieuw nadat je een probleem hebt verholpen.
Wat je beter niet kunt doen
Rijd niet weg met een verlichtingstoring omdat je maar een korte afstand aflegt. Ook op een korte rit kan een andere bestuurder je rem- of richtingaanwijzer missen. Een storing kan bovendien tijdens de rit groter worden door trillingen of vocht.
Gebruik geen losse tijdelijke oplossing waarbij een kabel over de weg sleept of een lamp met tape nauwelijks vastzit. Zo’n oplossing kan de situatie onveiliger maken. Kies voor een passende reparatie of laat iemand met verstand van aanhangerverlichting het probleem bekijken.
Vervang onderdelen ook niet blind. Verschillende aanhangers kunnen andere stekkers, lampen of aansluitingen gebruiken. Kijk in de handleiding van de aanhanger of vraag advies bij een gespecialiseerd bedrijf.
Maak een vaste controle voor elke rit
De kans dat je iets vergeet wordt kleiner wanneer je steeds dezelfde volgorde gebruikt. Een korte controle kan er bijvoorbeeld zo uitzien:
- Controleer of de lampglazen en reflectoren schoon en heel zijn.
- Bekijk de kabel en de stekker op schade, vuil en vocht.
- Schakel de gewone verlichting in.
- Test de remlichten.
- Test links en rechts de richtingaanwijzers.
- Test de alarmlichten.
- Controleer de achteruitrijverlichting wanneer die aanwezig is.
- Kijk of de kentekenverlichting niet wordt afgedekt.
Maak je een lange rit, combineer deze controle dan met een algemene controle van de auto en aanhanger. In het artikel auto controleren voor een lange rit vind je daarvoor een aparte checklist.
Controleer opnieuw na het beladen
De verlichting kan vóór het laden goed werken en daarna toch minder zichtbaar zijn. Controleer daarom na het beladen of de lading geen lampen, reflectoren of het kenteken bedekt. Kijk ook of de kabel nog vrij hangt en niet onder spanning staat.
Rij je na de controle eerst een klein stukje, stop dan op een veilige plaats om nog eens te kijken. Door het aankoppelen, laden en wegrijden kan een stekker verschuiven. Een korte hercontrole geeft extra zekerheid voordat je verdergaat.
Vertrek pas wanneer alles goed werkt
Een vaste controle van de aanhangerverlichting hoeft maar enkele minuten te duren. Je controleert de lampen, stekker, kabel, reflectoren en zichtbaarheid van het kenteken. Werkt iets niet, zoek dan eerst rustig naar de oorzaak en stel de rit uit wanneer de storing niet snel en veilig op te lossen is.
Zo vertrek je met een combinatie die beter zichtbaar is voor andere weggebruikers. Dat maakt vooral remmen, afslaan en rijden in het donker een stuk duidelijker en veiliger.

